Peter Pontiac en Leiden

Anderhalf jaar geleden liep ik in een Leidse boekhandel tegen het boek Kraut van Peter Pontiac aan. Het boek maakte (en maakt ) veel indruk op mij.

Kraut is een graphic novel die zich voor een belangrijk deel in Leiden afspeelt. Hoewel Peter Pontiac in Beverwijk is geboren is hij voor mij een zoon van Leiden. En zoals Leiden trots mag zijn op Karina Schaapman ( http://bit.ly/YqGLMe en http://bit.ly/12fbVwM ) als dochter van Leiden, geldt voor mij hetzelfde voor Peter Pontiac als zoon van deze stad.

Kraut is een absolute aanrader voor iedereen die in Leiden (of daarbuiten) woont!

Hieronder een recensie over Kraut die ik in 2011 voor RAP Architectuurcentrum (http://www.rapsite.nl/) schreef.

Kraut

“Dat ik mijn tekeningen volstop heeft er ook mee te maken, dat ik in mijn tekeningen woon als ik eraan werk, en dan wil ik er ook zo lang mogelijk in blijven wonen.”

(Peter Pontiac in interview door Martijn Meijer in de NRC van 5-1-2001)

Afgelopen augustus pakte ik in een Leidse boekhandel in een impuls het boek Kraut van Peter Pontiac op. Titel noch auteur zeiden me iets. Al bladerend werd ik getroffen door de dramatische kracht die van de bladzijden afspatte, door de volheid van de bladzijden en door de herkenning van beelden van Leiden. Ik heb het onmiddellijk gekocht.

Peter Pontiac bleek het pseudoniem van Peter Pollmann te zijn. Kraut is een graphic novel, een combinatie van tekst en tekeningen, die in dit geval over het leven van de vader van de tekenaar/auteur, Joop Pollmann, gaat.

Vader Joop Pollmann is in 1922 geboren in Leiden. Zijn vader, de grootvader van Peter Pontiac, Piet Pollmann, was eigenaar van een winkel in religieuze artikelen, St. Joseph, aan de Hoogstraat.

St. JosephAan de tekeningen te zien moet de winkel gevestigd zijn geweest in het pand naast het pand dat in 1925 in opdracht van Winkelbedrijf Brüning door architectenbureau Van der Laan is ontworpen. In het Van der Laanarchief (ondergebracht in het NAI) wordt melding gemaakt van “Dhr Polmann” (fout in de naam) die in 1913 aan het Rooms-katholieke architectenbureau Van der Laan opdracht gaf  “gebouw Polmann Hoogstraat 3-4” te (ver?)bouwen. Ik neem aan dat hier naar de grootvader, Joseph Pollmann, van de auteur wordt verwezen. Deze vluchtte in 1873, op vijftienjarige leeftijd van Duitsland naar Leiden om aan de Pruisische dienstplicht te ontsnappen. In Leiden vond hij werk in een zaak van glas- en porseleinwaren van neef H. Lühn. Het ging hem uiteindelijk zo voor de wind dat toen hij ca. 1920 met pensioen ging hij drie zaken naliet: een winkel in serviesgoed, een in huishoudelijke artikelen en een in religieuze artikelen. De winkels lagen bijna naast elkaar, twee aan de Hoogstraat en één om de hoek aan de Nieuwe Rijn. Piet Pollmann nam de zaak met religieuze artikelen over. In 1922 wordt Joop Pollmann geboren.

Burcht-kamerJoop Pollmann raakt gedurende de dertiger en veertiger jaren van de twintigste eeuw in de ban van het fascistisch gedachtengoed. Hij wordt (zeer tegen de zin van zijn vader) lid van de NSB en treedt uiteindelijk toe tot de Waffen SS, afdeling Oorlogsberichtgeving. Hij doet voor de Duitsers verslag van de frontactiviteiten in Leningrad en van de invasie van de geallieerden in Normandië. Met de terugtrekking van de Duitsers gaat hij mee tot in België waarna hij besluit naar Nederland terug te keren. Na de oorlog werkt hij als journalist respectievelijk bij damesblad Libelle en roddelblad Story. In 1978 wordt zijn huurauto onbeheerd aangetroffen aan de Daaibooibaai op Curaçao. Daarna is niets meer van hem vernomen.

DaaibooibaaiZoon Peter Pontiac heeft Kraut opgezet als een zoektocht naar zijn vader in de vorm van een brief aan hem in beeld en woord. Hij poogt met name antwoord te vinden op de vragen hoe zijn vader fascist is geworden en wat er in de Daaibooibaai is gebeurd.

De tekenaar/auteur gaat grondig te werk. Hij reconstrueert het leven van zijn vader met behulp van schetsboeken, gedichten en verhalen van zijn vader uit diens jeugd in Leiden, citaten uit verhoren door de politieke recherche van na de oorlog, krantenknipsels en wat hij maar vinden kan. En natuurlijk in de eerste plaats met zijn (Peter Pontiac’s) tekeningen en teksten. De stadhuisbrand in 1929 komt langs, evenals de bouw van Vroom & Dreesmann tussen 1933 en 1935 (ook weer van de hand van het rooms-katholieke architectenbureau Van der Laan) aan de Aalmarkt en Marinus van der Lubbe (die tot ergernis van Piet Pollmann voor de deur van de winkel krantjes van ‘De Roode Werker’ uitventte). Ook plaatst Peter Pontiac de ontwikkeling van zijn vader in de bredere historische context van de crisisjaren, de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw.

LeidenAl tekenend en schrijvend geeft Peter Pontiac commentaar op de levensgang van zijn vader en stelt hem vragen. Soms cynisch, dan weer sarcastisch en met (zwarte) humor, maar altijd is  een onderliggende toon voelbaar van een zoon die op zoek is naar zijn vader met alle ambivalente gevoelens van dien.

Alleen al om het historische verhaal en de verschillende perspectieven op deze hectische periode zou dit boek zeer geschikt zijn voor de geschiedenisles op middelbare scholen al weet ik niet of het heftige en indringende karakter pedagogisch verantwoord is voor deze groep.

Kraut is voor het eerst verschenen in 2000. In 2005 verscheen een met “nagekomen berichten” vermeerderde tweede druk. Het boek dat ik heb aangeschaft blijkt te zijn uitgegeven in verband met de toekenning van de Marten Toonderprijs 2011.

Dat de pagina’s geheel gevuld zijn met teksten en tekeningen droeg bij aan mijn kooplust. In interviews geeft de tekenaar/auteur hier verschillende verklaringen voor. De wat mij betreft mooiste vond ik in een interview uit 2001 in de NRC: “Dat ik mijn tekeningen volstop heeft er ook mee te maken, dat ik in mijn tekeningen woon als ik eraan werk, en dan wil ik er ook zo lang mogelijk in blijven wonen. Als ik er dan nog iets bij weet te verzinnen, garandeert dat een langer verblijf.” Die ervaring deel ik met de auteur, maar dan van de consumentzijde zeg maar.

Bernard de Mol Moncourt, september 2011

Kraut is uitgegeven bij Podium in Amsterdam

Naast het boek heb ik gebruik gemaakt van de volgende literatuur:

– L. van der Laan (1864-1942) en J.A. van der Laan (1896-1966) door David Geneste, Albert Gielen en Rick Wassenaar, een uitgave in de BONAS-reeks van het Nederlands Architectuur Instituut

– Van der Laan. Architecten in Leiden e.o. sinds 1891. Architectuurroute, uitgegeven door RAP Architectuurcentrum in Leiden

– “Het beslissende boek van Peter Pontiac.” Interview door Martijn Meijer in de NRC van 5-1-2001

– Van der Laanarchief (ondergebracht in het NAI), digitaal

LEIDEN, NIETS MEER AAN DOEN

Een week geleden bezocht ik een presentatie van Henk Hartzema, ontwerper van het masterplan van het Bio Science Park van Leiden. De lezing was georganiseerd door RAP Architectuurcentrum. Zoals mij wel vaker overkomt in het RAP werd ik geconfronteerd met visies waar ik zelf niet gauw op zou komen.

Hartzema begon met een uiteenzetting over de universiteitsgebouwen en –complexen in Leiden en de plannen daarmee voor de toekomst.

In de loop van de avond zoomde hij steeds meer uit. Hij beschreef de ontwikkeling van Leiden en aangrenzende gemeentes (Oegstgeest, Rijnsburg, Leiderdorp, Valkenburg, Katwijk enz. ) gedurende de afgelopen decennia.

foto: RAPsite

foto: RAPsite

In feite zijn al die gemeenten tegen elkaar aangegroeid en tegen elkaars grenzen opgelopen. Daar zit helemaal geen plan achter. Iedere gemeente met zijn eigen cultuur, taal en gewoontes groeit op zijn eigen manier door tot het niet meer kan.

Ik ben zelf geboren in Limburg. In een dorp een kilometer verderop kon je de mensen al niet meer verstaan omdat ze een ander dialect spraken. Iets dergelijks heeft zich ook in de regio Leiden voltrokken. Alleen bij nacht zie je de eenheid die er verder niet is. Daar is geen regisseur voor. Die komt er mijns inziens ook niet. Dat is domweg niet Nederlands.

foto: André Kuipers

foto: André Kuipers

Nederland is een handelsland. Wij hebben een cultuur van pappen en nathouden. Een uitgesproken politieke visie, durf of moed is er niet. Wat wij met Europa willen, ik zou het niet weten. We zijn flexibel of, negatief gezegd, opportunistisch. Dat heeft voor- en nadelen. Voordeel is dat we in onze ontwikkeling geen wilde sprongen maken. We benoemen een commissie die verslag uitbrengt en dan benoemen we een nieuwe commissie die dat verslag weer gaat bestuderen. Nee, dan de Duitsers. Die zaten met een versnipperd Ruhrgebied na grote veranderingen in de industriële sector in de twintigste eeuw. Daar hebben ze een soort doorzettingsmacht opgezet, die alle lagere overheden overrulede. Het resultaat: een van de meest indrukwekkende metropolitane parken van Europa.

Henk Hartzema merkte op dat Leiden eigenlijk alles al heeft. Een historische binnenstad, een redelijk woningaanbod (zij het met een tekort aan woningen in de middencategorie), een universiteit, musea enz. Je bent zo in Amsterdam of Den Haag of Rotterdam. Je kunt naar het strand fietsen of naar de Klinkenbergerplas of naar het Groene Hart.

De infrastructuur is er grillig. Goede fietspaden ontbreken, autowegen meanderen. Door het ontbreken van een regisseur zal dat wel zo blijven, maar met wat doorzettingsvermogen kom je heus wel waar je zijn wilt.

De lezing vond plaats in het kader van een onderzoeksproject van het RAP: Leiden in de Randstad. Hoort Leiden nu bij de Noordvleugel van de Randstad (Amsterdam en omgeving) of bij de Zuidvleugel (Rotterdam, Den Haag enz.), bij allebei of vallen we tussen de wal en het schip?

Tijdens de lezing in het RAP trok ik de conclusie die titel van dit stuk is geworden. Leiden is door de Tachtigjarige Oorlog heengekomen en heeft daar zelfs een universiteit aan overgehouden. Wie doet ons wat?

Leiden 3 oktober. Foto Wikipedia

Leiden 3 oktober. Foto Wikipedia

Zonder Moeder

In ‘Het Muizenhuis’ (https://bernardblogt123.wordpress.com/2013/01/30/het-muizenhuis/) ging ik op zoek naar de auteur van het boek, Het Muizenhuis, Karina Schaapman. Ik ontdekte dat ze een boek had geschreven over de eerste drieënveertig jaar van haar leven: ‘Zonder Moeder’.

Het boek is geschreven in een rauwe, reportageachtige stijl. Ze schrijft in korte, zintuiglijke zinnen. De urgentie spat er van af of, zoals de schrijfster in een opdracht voorin zegt: ‘Voor mijn kinderen. Sommige dingen zijn onontkoombaar. Dit boek moest worden geschreven.’

Het is een eerlijk en openhartig boek. Ik moest het af en toe wegleggen omdat het wel erg hard binnenkwam.

1

 

Karina Schaapman  werd in 1960 in Leiden geboren en heeft daar tot haar veertiende in een portiekwoning aan de Hoflaan gewoond.

Op de dag dat zij werd geboren verliet haar vader het gezin. Haar (Indonesische) moeder bleef achter met haar dochter. Een oudere broer en zus bleven bij haar vader. Karina en haar moeder werden fors gediscrimineerd door de mensen uit hun omgeving. Toen het te bar werd sloot moeder de overgordijnen en dat bleef zo.

In het eerste hoofdstuk en verspreid over de rest van het boek komt haar leven in de stad Leiden uitgebreid aan bod. Karina gaat er naar de lagere en de Huishoudschool. Haar moeder kan geen werk krijgen en gaat iedere week met haar dochter naar de Sociale Dienst om bijstand te halen. Daarna gaan ze langs  de toko en V&D en lopen door het Van der Werffpark terug naar huis.

Karina’s  jeugd is er een van armoede en isolement. Haar moeder krijgt eind jaren zestig een relatie met een circusdirecteur. Karina trekt geregeld op met dit circus, waar ze goede herinneringen aan overhoudt. Als zij dertien is wordt haar moeder ziek. Ze wordt opgenomen in het Diaconessenziekenhuis. Een ellendige tijd. Haar moeder overlijdt en Karina komt in handen van haar vader (zo mag je dat wel noemen), een agressieve dominante man. Ze weet te ontsnappen en woont op verschillende adressen. Op momenten dat ze helemaal blut is heeft ze seks voor geld, met mannen. Ze trekt korte tijd met Herman Brood op en komt uiteindelijk in Amsterdam terecht.

Daar gaat zij werken in de Kerk van Satan, een bordeel dat onder het mom van een kerk is gevestigd aan de Oudezijds Voorburgwal.

In 1982 stapt zij uit de seksclub en trouwt. Ze krijgt vier kinderen die ze naar een buurtschool stuurt. Als de prestaties van de school tegenvallen, spant zij een proces aan tegen de school. Het proces loopt van 1996 tot 1999 waarbij zij uiteindelijk in het gelijk wordt gesteld. In 2000 publiceert zij het boek ‘Schoolstrijd’, waarin zij ‘verslag doet van de wijze waarop de Nederlandse overheid voor het onderwijs zorgt’ (Zonder Moeder, p. 196).

In 2002 wordt zij voor de Partij van de Arbeid gekozen in de gemeenteraad van Amsterdam. Huidig vicepremier, Lodewijk Asscher, treedt dan eveneens toe tot de raad. Zij kunnen het goed met elkaar vinden. Karina merkte toen al op over Asscher: ‘Je wordt nog eens minister’ (‘Schaduwleider van de PvdA’, Parool, 28-1-2012).

Hetzelfde artikel uit het Parool geeft een aardig beeld van de combi Karina Schaapman-Lodewijk Asscher:

Als fractiewoordvoerder Financiën laaft Asscher zich aan de praktijkverhalen van Schaapman. Ze is onderwijsexpert na met succes een rechtszaak tegen de gemeente te hebben gevoerd voor beter onderwijs voor haar kinderen. 

Een en ander inspireert wethouder Lodewijk Asscher:

 … in de loop van 2008 komt de door Schaapman gelegde kiem (Asscher: ‘Ik sta eigenlijk op haar schouders’) tot wasdom. Van de ruim tweehonderd basisscholen in de stad staan er 38 te boek als zwak. Dáár wil hij iets aan doen.

Het Paroolartikel vervolgt:

Ze neemt Asscher in vertrouwen, mede over haar prostitutieverleden. “Ik weet nog dat ik de fractie confronteerde met de site http://hookers.nl, waarop hoerenlopers elkaar tips geven,” zegt Schaapman. “De schellen vielen Lodewijk van de ogen.” … “Naast het onderwijs heeft Asscher ook de tweede met Schaapman gedeelde zorg omgezet in een project: 1012, naar de postcode van het Wallengebied dat hij wil decriminaliseren. Na de blokkade van de privatisering van Schiphol in 2006 en de strijd met de schoolbesturen heeft hij weer een tegenstander van formaat: de georganiseerde misdaad  …  Asscher stelt ook hier misstanden aan de kaak die tot dan toe werden genegeerd: de zware criminaliteit en mensenhandel op de Wallen. (‘Schaduwleider van de PvdA’, Parool, 28-1-2012).

Karina Schaapman wordt voor de voeten gelopen door haar verleden (o.a. de Satanskerk) en besluit na overleg met collega Rob Oudkerk, de zaak naar buiten te brengen. ‘Zonder moeder’ is hiervan in 2004 het resultaat.

In 2008 verlaat Karina Schaapman de politiek.

Thuis maakt zij van een sinaasappeldoos een kamer voor een muis. Het interieur, alle onderdelen en de muizen maakt zij zelf met de hand van al dan niet gebruikt materiaal. Al bouwend ontstaan de verhalen die uiteindelijk leiden tot Het Muizenhuis.

Het muizenhuis is inmiddels drie meter hoog en twee meter breed geworden en staat permanent tentoongesteld in de Openbare Bibliotheek Amsterdam.

httphetmuizenhuis.blogspot.nl201112het-muizenhuis-staat-vanaf-nu-voor.html

httphetmuizenhuis.blogspot.nl201112het-muizenhuis-staat-vanaf-nu-voor.html

Karina Schaapman is een dappere strijdbare vrouw, een dochter van Leiden waar de stad trots op mag zijn.

–         Zonder Moeder van Karina Schaapman is verschenen bij uitgeverij Balans. Het is ook als e-boek verkrijgbaar.

–         In het Parool van 28-1-2012 wordt in een artikel over Lodewijk Asscher, ‘Schaduwleider van de PvdA’, geregeld verwezen naar Karina Schaapman

–         In een interview in de NRC van 6-9-2012,  ‘Kinderen hebben een veilige wereld nodig. Die maak ik’, vertelt zij over het ontstaan van Het Muizenhuis. Tekst: Saskia van Loenen. Foto: Mark Kohn

–         ‘Schoolstrijd’ door Karina Schaapman, verscheen in 2000 ( niet meer verkrijgbaar)

Het Muizenhuis

In de eerste week na de verhuizing (zie vorige aflevering) liep ik een boekwinkel binnen in het centrum van Leiden. Ik zat nog in een zware roes van mijn nieuwe onderkomen. Mijn oog viel op een kinderboek. De kaft bood een inkijkje in de binnenruimte van een huis met veel houten trappen, vloeren, nissen en twee muisjes van stof op de begane grond. Het zag er knus, gezellig en ruimtelijk uit. De titel van het boek was: ‘Het Muizenhuis. Sam & Julia’. Karin Schaapman was de auteur.

Ik bladerde er doorheen. Afbeeldingen van knusse, volgepakte kamertjes met muizen van grijze stof, het zag er allemaal zeer aaibaar uit. De vele kamertjes en het huis dat ze vormden waren gemaakt van hout (zo oogden ze tenminste). Dit alles maakte een warme en geborgen indruk die helemaal samenviel met die van mijn nieuwe onderkomen.

muizenhuis2 001

Mijn appartement is deel van een zolder in een oud gebouw in het centrum van Leiden. Toen mij de woning werd aangeboden ben ik er eerst gaan kijken. Het was liefde op het eerste gezicht. Massieve, bruine balken met een sterke fysieke uitstraling van kracht lopen van de vloer tot aan en over het plafond. Alsof bomen aan de buitenkant van je appartement er doorheen groeien en je dak dragen. Een deel van de muren is naar binnen gebogen waardoor je het gevoel krijgt dat het appartement op jouw maat is gebouwd. Ik ging in een boomhut wonen. Warm en veilig.
Het enige wat me tegenviel waren de kleine ramen waardoor het er op het moment van mijn bezoek schemerig uitzag. Ik was gewend aan de licht- en ruimte-uitstraling van de woningen uit de Wederopbouwperiode (na de Tweede Wereldoorlog zag de toekomst er ruim, licht, open en positief uit).
Bij nader inzien droegen die kleinere ramen echter alleen maar bij aan het gevoel van geborgenheid in het huis. Het uitzicht is er redelijk weids, het wordt er dus geen ogenblik benauwd.

Ik heb het boek van Karina Schaapman onmiddellijk gekocht, liep ermee naar huis en werd daar nog enthousiaster. De volgende dag heb ik het tweede deel ook maar gelijk gekocht: ‘Het Muizenhuis. Sam & Julia in het theater’.

muizenhuis1 001

Beide boeken zijn kinderboeken maar kunnen voor volwassenen ook aantrekkelijk zijn. Ze bestaan uit korte, scene-achtige verhaaltjes, geschreven in een eenvoudige heldere taal.
Sam en Julia zijn de twee hoofdpersonen van het boek. Sam is een verlegen muis, Julia een durfal. Ze zijn erg aan elkaar gehecht. De afbeeldingen vind ik het sterkst. Al lezend en kijkend zit je in een warme, intieme wereld. De lichtval op de afbeeldingen is ongehoord mooi en intiem, als warm rood zonlicht in de late middag of vroege zomeravond.

Ik had nog nooit gehoord van de schrijfster, ook al had ze een Zilveren Penseel gekregen voor het eerste boek. Al lezend kreeg ik de fantasie over haar als een oude Joodse (de sjabbat wordt gevierd in een van de verhalen) vrouw die de Tweede Wereldoorlog had overleefd en troost zocht in de zelfgecreëerde wereld van het muizenhuis. Een beetje zoals de mensen in het voormalige Oostblok de kilte en het wantrouwen van de maatschappij ontvluchtten door het huiselijk leven te cultiveren met vrienden, familie, hapjes en (heel) veel drank. In het tweede boek werd echter het (Islamitische) Suikerfeest gevierd, waardoor ik het spoor even bijster was.

Ik ben eens op haar naam gaan googelen en viel daarbij van de ene verbazing in de andere. Blijkbaar heb ik het (Amsterdamse) nieuws van de afgelopen tien jaar in het geheel niet gevolgd.

Volgende aflevering: Zonder Moeder

Twee maanden geleden ben ik verhuisd van een flatje in Leiden Zuid West naar een zolderappartement in het centrum van Leiden. In die flat in Zuid West heb ik zesentwintig jaar met genoegen gewoond.
Leiden Zuid West is een buitenwijk van Leiden uit de Wederopbouwperiode met veel flatwoningen, ruimte en groen.

De laatste jaren liep ik bijna iedere dag naar het centrum van Leiden. Niet alleen omdat ik daar vrijwilligerswerk deed, maar ook uit een groeiende, bijna dwingende behoefte om in de binnenstad te zijn.

Ik ben nu bijna tweeënzestig jaar. Ik vind het heerlijk om ouder te zijn. Carrière, status, een groot netwerk, het is allemaal niet zo belangrijk meer. Heel bevrijdend!

Met het klimmen der jaren volg ik steeds meer mijn eigen interesses in plaats van perse af te gaan op alle ontwikkelingen in de samenleving. Veel ontwikkelingen houd ik ook niet meer bij. Ik vind het nog iedere dag een vreemd gezicht om mensen te zien fietsen terwijl ze voortdurend op hun smartphone kijken. Niet dat ik daar tegen ben, maar het is mijn wereld niet, zoals ik veel bekende Nederlanders ook absoluut niet thuis kan brengen. Het gevolg is wel dat ik op een bepaalde manier een eilandje werd, ik marginaliseerde een beetje in de samenleving. Dat maakt kwetsbaar. Misschien is dat de drive waarmee ik iedere dag naar het centrum liep. Van de wijk uit de Wederopbouw naar de omgeving van de middeleeuwse Burcht en vroeg in de avond weer terug.

Zodra ik in het centrum was voelde ik me helemaal o.k. De terrassen langs het water, de drukte, boekwinkels, de openbare bibliotheek, de verschillende talen die je op straat hoort, de aankomst van nieuwe studenten ieder jaar, oude kerken, universiteitsbibliotheken, musea.

Het is vooral de cultuur en de reuring waardoor ik me geborgen voelde in de binnenstad, de binnenstad als schuilplaats. Daar moest ik zijn. Daar gebeurt het. En zoals gezegd, niet vrijwillig maar bijna als dwingende noodzaak. Zoals mensen vroeger naar de ommuurde stad gingen om bescherming te zoeken tegen de boze buitenwereld. Cultuur als een jas die je aantrekt en die je ook steeds meer nodig hebt naarmate je ouder wordt. In mijn geval tenminste.

Er komt nog iets anders bij. Op deze leeftijd denk ik wel eens aan de dood, mijn eigen eindigheid. Dat bedoel ik in het geheel niet zwaarwegend. Als het aan mij ligt word ik honderdvijftien, maar niet in Leiden Zuid West! Dat ligt niet aan die wijk. Die heeft gedurende de afgelopen jaren meer winkels gekregen, het is er schoon, minder benauwd als in het centrum en er zijn meer bomen. Nee, het is iets in mijzelf. Ik wil schuilen in de binnenstad, in de hectiek van markten, winkelende mensen, toeristen en permanent feestgedruis van evenementen op de achtergrond. En daarnaast mijn rustige appartement. Hectiek en stilte, op loopafstand van elkaar.

Volgende blog: het Muizenhuis.