Een week geleden bezocht ik een presentatie van Henk Hartzema, ontwerper van het masterplan van het Bio Science Park van Leiden. De lezing was georganiseerd door RAP Architectuurcentrum. Zoals mij wel vaker overkomt in het RAP werd ik geconfronteerd met visies waar ik zelf niet gauw op zou komen.
Hartzema begon met een uiteenzetting over de universiteitsgebouwen en –complexen in Leiden en de plannen daarmee voor de toekomst.
In de loop van de avond zoomde hij steeds meer uit. Hij beschreef de ontwikkeling van Leiden en aangrenzende gemeentes (Oegstgeest, Rijnsburg, Leiderdorp, Valkenburg, Katwijk enz. ) gedurende de afgelopen decennia.
In feite zijn al die gemeenten tegen elkaar aangegroeid en tegen elkaars grenzen opgelopen. Daar zit helemaal geen plan achter. Iedere gemeente met zijn eigen cultuur, taal en gewoontes groeit op zijn eigen manier door tot het niet meer kan.
Ik ben zelf geboren in Limburg. In een dorp een kilometer verderop kon je de mensen al niet meer verstaan omdat ze een ander dialect spraken. Iets dergelijks heeft zich ook in de regio Leiden voltrokken. Alleen bij nacht zie je de eenheid die er verder niet is. Daar is geen regisseur voor. Die komt er mijns inziens ook niet. Dat is domweg niet Nederlands.
Nederland is een handelsland. Wij hebben een cultuur van pappen en nathouden. Een uitgesproken politieke visie, durf of moed is er niet. Wat wij met Europa willen, ik zou het niet weten. We zijn flexibel of, negatief gezegd, opportunistisch. Dat heeft voor- en nadelen. Voordeel is dat we in onze ontwikkeling geen wilde sprongen maken. We benoemen een commissie die verslag uitbrengt en dan benoemen we een nieuwe commissie die dat verslag weer gaat bestuderen. Nee, dan de Duitsers. Die zaten met een versnipperd Ruhrgebied na grote veranderingen in de industriële sector in de twintigste eeuw. Daar hebben ze een soort doorzettingsmacht opgezet, die alle lagere overheden overrulede. Het resultaat: een van de meest indrukwekkende metropolitane parken van Europa.
Henk Hartzema merkte op dat Leiden eigenlijk alles al heeft. Een historische binnenstad, een redelijk woningaanbod (zij het met een tekort aan woningen in de middencategorie), een universiteit, musea enz. Je bent zo in Amsterdam of Den Haag of Rotterdam. Je kunt naar het strand fietsen of naar de Klinkenbergerplas of naar het Groene Hart.
De infrastructuur is er grillig. Goede fietspaden ontbreken, autowegen meanderen. Door het ontbreken van een regisseur zal dat wel zo blijven, maar met wat doorzettingsvermogen kom je heus wel waar je zijn wilt.
De lezing vond plaats in het kader van een onderzoeksproject van het RAP: Leiden in de Randstad. Hoort Leiden nu bij de Noordvleugel van de Randstad (Amsterdam en omgeving) of bij de Zuidvleugel (Rotterdam, Den Haag enz.), bij allebei of vallen we tussen de wal en het schip?
Tijdens de lezing in het RAP trok ik de conclusie die titel van dit stuk is geworden. Leiden is door de Tachtigjarige Oorlog heengekomen en heeft daar zelfs een universiteit aan overgehouden. Wie doet ons wat?



